Uit het kloosterarchief van onze zusters [4]

Een interessante reactie
Naar aanleiding van het vorige artikel kwam ik in contact met zuster Clara. Die liet mij enkele oudere akten zien. Een ervan liet er geen twijfel over bestaan, dat de Schijndelse schuurkerk inderdaad heeft gelegen naast de oude pastorie waar de zusters in 1836 zijn begonnen. Het is een notarieel document gedateerd 15 oktober 1842. Daarin verklaart Johanna Spierings, een ongehuwde dochter en rentenierster, voor notaris van Beverwijk, dat zij heeft verkocht en in volle eigendom overgegeven aan pastoor van Erp: “een strook grond waarop eenen scheidingsmuur is opgerigt tusschen de perceelen nummer 124, 125, 126 en 139 in sectie D, zijnde een gedeelte van no.139, in het geheel groot vijf roeden en veertig ellen, zijnde voorzegden muur het overblijfsel der vroeger aldaar gestaan hebben Roomsche Katholijke Kerk, thans dienende tot afscheiding van de hiervoor genoemde perceelen” [zie kaartje]. Dat stuk grond had zij verkregen uit de nalatenschap van haar ouders op 4 oktober 1833. De schuurkerk is vermoedelijk in gebruik gebleven tot 1811, het jaar waarin de katholieken de grote Servatiuskerk weer hebben teruggekregen, sinds dat ze hem hadden moeten afstaan in 1648 aan de protestanten. Om erachter te komen wanneer hij definitief is afgebroken vraagt nog enig speurwerk, maar in ieder geval vóór 1832, want op de kadasterkaart van dat jaar staat hij al niet meer ingetekend.

 kadaster.jpg


Een eigen gasthuis bittere noodzaak
De opvoeding van de vrouwelijke jeugd is aanvankelijk de hoofddoelstelling in de ogen van pastoor Van Erp, maar al spoedig wil hij zijn doelstelling verruimen. De opvoeding en persoonlijke begeleiding van Schijndelse meisjes tot degelijke moeders en huisvrouwen is natuurlijk basaal geweest voor de samenleving van toen, maar pastoor Van Erp wil ook nog andere wegen bewandelen. Met zijn scherp oog voor de noden van de toenmalige Schijndelaren constateert hij schrijnende toestanden, vooral waar het de ouderen en zeker de zieken onder hen betreft. Zij zijn sterk afhankelijk van de liefdadigheid van anderen, is zijn heilige overtuiging en hij ontwikkelt plannen voor de stichting van een eigen gasthuis, om daarin zieken en ouden van dagen te kunnen verzorgen en begeleiden in de herfstdagen van hun leven. Een zeer nobel streven, maar zijn eerste zorg is de financiële basis. Hoe krijgt hij het geld bij elkaar voor een dergelijk groots project.

 

Een weldoenster komt hem tegemoet

prent_endepoel.jpg De eerste grote meevaller voor hem is, dat Helena van den Endepoel [1766-1847], het hoofd van het vroegere breischooltje, hem in 1841 een huis in het vooruitzicht stelt stelt met de nodige grond eromheen. Zij is een ongehuwde dochter van Jan van den Endepoel en Joanna Bag[h]mans. Ze stamt van origine van een Bossche familie. Zij woonde destijds in de directe omgeving van de oude pastorie direct aan de straatkant van de Lagestraat, zoals de Pastoor van Erpstraat toen nog genoemd werd. Voor de pastorie lagen immers vier huizen kadastraal bekend onder sectie D 121-124. Bij de invoering van het kadaster in 1832 had men die woningen gekoppeld aan een bepaalde kwaliteitsklasse variërend tussen 1 en 12. De huizen D 121, 122 en 123 van kleermaker Antonie Schrijvers werden ingedeeld in resp. de 9e en 11e klasse, m.a.w…… het waren vermoedelijk kleine oudere woningen met weinig ruimte. In een overzicht van onroerende goederen van het ‘liefdehuis’ uit 1854 worden deze huisjes onder de bezittingen van het klooster geschaard.

Het huis D 124 van rentenier Pieter van den Endepoel, kwaliteitsklasse 6, wat aan de kleermakershuisjes grenst, wordt in 1840 door Helena verkocht aan de looier en winkelier Andries Verkuijlen, die door haar tot algemene erfgenaam is benoemd. Vermoedelijk heeft hij het aan de zusters geschonken of verkocht. Helena overlijdt op eerste kerstdag 1847. Uit haar memorie van successie blijkt, dat nog enige nota’s betaald moeten worden, vanwege verleende geneeskundige hulp door zowel dokter Bolsius als heelmeester Hamel en bedroegen haar begrafeniskosten f 213,40.

Het bekende schilderij waar de 19e-eeuwse burgemeester Peter Verhagen naar verwijst zou een situatieschets kunnen zijn van die huizenpartij. Die afbeelding zou gemaakt zijn van een plattegrondtekening en op basis van een nauwkeurige schets van de gebouwen en beplantingen, zoals die in 1836 bestond. Volgens hem zijn al die huizen gesloopt, in ieder geval vóór 1884 en door ‘doelmatige nieuwe inrichtingen’ vervangen. Het huis van Helena van den Endepoel wordt weliswaar niet geschikt geacht om tot gasthuis omgebouwd te worden, maar de grond is een ideale plek om er een nieuw gebouw te laten optrekken. Pastoor van Erp overpeinst alles nog eens heel goed en trekt vervolgens de stoute schoenen aan, schilderij_pastorie.jpg

door aan de burgemeester en de raad zijn grootse plannen te ventileren. Hij houdt een vurig breedvoerig betoog over het geweldige belang van de stichting van een plaatselijk ziekenhuis en een tehuis voor oude mannen en vrouwen. Dat zou een verrijking zijn voor de Schijndelse gemeenschap. De gemeente toont zich bereid een stevige subsidie te verlenen. Men telt er een bedrag voor neer van f 5000,-.

Tegenstemmers heb je overal
Helemaal verrukt en uiterst tevreden beklimt de pastoor ’s zondags daarna de preekstoel en betrekt alle parochianen bij zijn plannen en laat hen delen in de ‘feestvreugde’. Reken maar dat na de hoogmis dat nieuwbouwplan van de ijverige parochieherder tot in detail is besproken. Sommigen voelden de bui al hangen….de pastoor zou ook vast en zeker bij hen aankloppen voor een geldelijke bijdrage.

In dat kader haalt de kroniekschrijfster van de congregatie een schitterende historische anekdote aan in haar gedenkboek over een zekere Marinus Gerits, een van de tegenstemmers van de nieuwbouw en nog wel buurman van het klooster. Iedereen staat versteld van zijn negatief gevoel bij de plannen van pastoor Van Erp. Op z’n Schijndels maakt hij de goe gemeente zijn gevoelens duidelijk door hardop te verkondigen: “Ik hê gin gasthuis noodig!”. En hij voegt er nog aan toe doelend op het ‘verkooppraatje’ van de pastoor: “ Ons allemaol lijme, daor is gin kwestie van wa mijn betreft. Dè witte gullie dan alvast. En affront of gin affront, de pestoor hoeft bij mijn nie te komme. Jao…kèkt me mar aon gullie, ik Mèn ‘t! Wè hebben we aon al die neiïghèd….en tís altij mar gève, ge kant wel mè oew knipbeurs in de hand blève staon. Mar dit zèk oew, de pestoor zal bè mijn bot vange, ik hè gin gasthuis noodig, nou witte ‘t!” De omstanders staken verder alle discussie met Marinus en laten hem verder met rust.

De stichter van de congregatie is in zijn enthousiasme niet meer te stuiten en hij bezoekt hoogst persoonlijk alle welgestelden onder zijn parochianen. De burgers onder hen vraagt hij om financiële steun en van de boeren verwacht hij dat ze borg zullen staan voor de aanvoer van zand en bouwmaterialen. Ook bezoekt hij Marinus, maar die houdt voet bij stuk. De pastoor zal wel verbaasd gestaan hebben over Marinus’ standpunt, maar zonder diens hulp is het gasthuis er toch gekomen. Het huis van Helena van den Endepoel wordt afgebroken en met grote ijver begint men in 1843 aan de bouw van een gasthuis annex ziekenhuis. De toen 77-jarige Helena zal wel op een of andere manier door de zusters zijn verzorgd in haar laatste levensdagen, al hoewel er in de archieven niets van is terug te vinden. Ze heeft de realisering van het gasthuis in ieder geval nog mogen meemaken. buitenmuur.jpg



 

Tegelijkertijd neemt men ook de bouw van een nieuwe kapel voor de zusters ter hand, ter vervanging van de oude kleine kapel. Ook start men, zoals in het vorige artikel al is aangegeven, met de aanleg van het kloosterkerkhof. De kapel is op 25 september 1843 door de Schijndelse pastoor ingezegend en goed ’n jaar later, op de feestdag van Sint Jan Evangelist [27 dec.] 1844, werd deze ruimere kapel van een fraaie kruisweg voorzien. In 1869 is overigens de kapel wederom vernieuwd en uitgebreid en ingezegend op 15 augustus 1869 door pastoor Ceelen. Uiteindelijk zijn de oude kruiswegstaties in 1986 geschonken aan pastoor Robben, de parochieherder van de Sint Annakerk onder Hintham.

 

De zorgtaak kan beginnen

lagestraat.JPG Maar nu terug naar het nieuw gebouwde gasthuis. Wie wordt er nl. als eerste in de nieuwbouw verpleegd……ja, de onwillige buurman Marinus Gerits met zijn gezin, die allen door een vreselijke ziekte waren overvallen. Ze worden liefdevol door de jonge zusters verzorgd. Na enige weken van attente zorg verlaat het gezin Gerits het ziekenhuis en uit dankbaarheid stamelt Marinus: “Di heb ik in elk geval geleerd, dè Onze Lieven Heer ’t mit de pestoors en de zusters hauwt en dèt Hij ons, minschen, wel wit te brengen waor Hij ons hebben wil. Daorum, waarde Overste en Zusters zèk oew nou en ‘k mèn ‘t, dek altij veur oew klaor zal staon, ik en m’n keinders, als ’t er ’s een of aander veur ’t  klooster gebeuren mot!”.

Hij wordt uiteindelijk als directe buurman een van de beste helpers van het klooster. Op 5 januari 1844 wordt de eerste arme vrouw in het gasthuis opgenomen en na haar zijn spoedig de nodige mannelijke en vrouwelijke ouden van dagen gevolgd. De Schijndelse bevolking moet trots geweest zijn op deze nieuwe vestiging en langzaam maar zeker is men het liefdevolle en verzorgende werk van de zusters hooglijk gaan waarderen. Het toenmalige ‘liefdesgesticht’ straalde inderdaad liefdadigheid en barmhartigheid uit en de warmte waarmee de dorpelingen er zijn opgevangen en verpleegd, zal zelfs de ‘koudste kikker’ beroerd hebben! De voortvarendheid van pastoor van Erp en ‘zijn zusters’ is in die dagen alom geprezen.